Vernieuwende politiek gericht op het belang van de inwoners



Subnavigatie:

Nieuws


U bevindt zich hier

Content:

Huys van dranck en vijftig jonge Heeren

Datum: 07-02-2012

Door: BNDeStem

De Vergulde Croon en het Vergulde Cruijs. Een huys van dranck en vijftig jonge Heeren.

Loop eens langs Markt 3 in Geertruidenberg. Een sta­tig wit pand waar tot voor kort een hengelsportwin­kel was gevestigd en dat nu weer te huur is. Ooit woonde hier een scheepstimmerman. Dat was in 1557. Diens kinderen verkochten het pand aan de buurvrouw die een herberg uitbaatte. Een brou­wer en brandewijnbrander uit Dussen maakte van twee panden een.

Weer later voedde het pand de geest op een andere manier: met pen en ganzenveer. Het werd een kostschool, in de achttiende eeuw was het een opleiding met allure, want de leerlingen kregen vaak hoge functies in de maatschappij.

Nu is ‘ De Croon en ’ t Cruys’ een rijksmonument met een boeiende biografie.

Een respectabel pand, gebouwd in een tijd dat huizen nog niet aan een houdbaarheidsdatum gebon­den waren. Vijf-, zeshonderd jaar geleden, wie zal het zeggen? Wil­lem van Oranje moest nog gebo­ren worden, de Tachtigjarige Oor­log nog beginnen. Het pand moet gebouwd zijn in een tijd dat het centrum van Geertruidenberg langzaam versteende onder druk van het stadsbestuur. Dat schreef voor dat huizen met een haard ge­dekt moesten worden met een ‘hard dak’, een pannendak om het risico van brand te verminderen.

Gebouwd in een tijd van ganstrek­ken en haanknuppelen, toen er op de Markt nog gehangen en gevie­rendeeld werd. ‘ De Croon en ’ t Cruys’ overleefde alles, een half millennium. Zo’n huis heeft wat te vertellen. Het kostte Van Loon even tijd het ver­haal te vinden, maar als archivaris weet hij hoe je stenen toch kan la­ten praten: „Vooral de perikelen rond de Franse kostschool leverde nieuw boeiend materiaal op. Leuk, want via dit huis is een stukje on­derwijsgeschiedenis van Geertrui­denberg uit de vergetelheid ge­haald.”

Eerst even naarWillem Janszoon den Braber, de timmerman. Hij liet een geboorte- en overlijdensda­tum na, plus een rekening van vaartuigen die hij bouwde. Op 28 december 1562 leverde hij een groot schip aan ‘schuitenaar’ Her­mans Cornelisz, die om het schip te betalen, weer geld leende van de timmerman. Den Braber woon­de in de Vergulde Croon, de ooste­lijke helft van het huidige pand. La­ter begon Bastiaan Schalcken uit Dussen er een brouwerij. De buur­man van Den Braber, kleermaker Adriaan Coenen, woonde in de westelijke helft: het Vergulde Cruys. Coenen leverde in 1584 rouwkleding aan het stadsbestuur, toen dat op 3 augustus naar Delft moest voor de plechtige begrafenis van de vermoordeWillem van Oranje.

Een andere eigenaar, Isaac Maheu, verkocht zijn eigendom in 1762 voor 1.655 gulden aan kostschool­houder Simon van derWaal. Tijd­genoot dominee Isaac van Nuys­senburg schreef in 1774 dat op de school ‘thans vijftig jonge Heeren uit de aanzienlijkste Huizen van ons Vaderland onderricht krijgen, ja zelfs enigen van Grieksche en In­dische afkomst’.

Van derWaal leerde ‘de jonge jeugd schrijven, cijferen, goede ze­den en godzaligheid’. De school leidde leerlingen op voor de KMA in Breda en voor hogescholen in Utrecht en Leiden. De school sloot in 1899 bij gebrek aan leerlingen.

De nieuwe eigenaar, de Stedelijke Godshuizen in Geertruidenberg, verhuurde het gebouw vervolgens als postkantoor. De vroegere schoollokalen dienden jarenlang als onderkomen voor de Geertrui­denbergsche Teekenschool. De laatste huurder, meelhandelaar en molenbouwer Andries van Riel, kocht het pand in 1949.

Het aardige van de tweede huisbio­grafie van Arjan van Loon is dat hij via de huizen mensen van vlees en bloed tevoorschijn laat ko­men, zoals kostschoolhouder Mar­cel Pasqué, over wie in 1809 ge­klaagd werd dat hij een kind ‘ge­heel blauw op armen en zyn rug geslagen heeft’.

Pasqué begon in 1823 ook een kost­school voor meisjes, onder leiding van een onderwijzeres uit Den Briel. Ze kreeg te horen dat zij on­derwijs mocht geven aan: ‘Jonge Juffrouwen en geenszins aan Jonge Heeren.’ Leendert Blankenbijl die van 1853 tot 1858 de kostschool leidde, was volgens auteur Van Loon een man met een reumatische aandoening.

Van Blankenbijl dook na het ver­schijnen van Markt 3 in Auckland Nieuw-Zeeland een schilderij op.

Van Loon: „Wijst het handje op het portret misschien naar zijn reu­matische aandoening, waarover ik schrijf?”